Handschoentjes

Voor een omschrijving van tante An was onze taal niet toereikend. Als je dacht aan excentriek, onaangepast en eigengereid kwam je redelijk in de buurt. Het is echter de vraag of je in haar buurt wílde komen.

Ze was alleenstaand, wat me niet verbaasde, en mocht daarom met ons mee als we een reis maakten.

Mijn zus en moeder vonden dat leuk, ik niet omdat ik altijd de uitverkorene was die bij haar op de kamer mocht slapen.

Ik was degene die haar geheel blote, gerimpelde lijf naast mij in het veel te krappe bed zag schuiven. Ik was het die ’s nachts badend in het zweet wakker werd omdat tante An, kippig als ze was, het knopje van de airco met dat van de verwarming had verwisseld.

Voor een verfrissende douche moest ik eerst haar drogende handschoenen opzij schuiven. Ja, ze droeg altijd witte handschoentjes ook al was dat rond de evenaar echt niet nodig. Ook een uitgelubberde bh en vergeelde onderbroek staarden mij vanaf de doucherail aan.

In fel gekleurde, wapperende gewaden stoorde ze zich absoluut niet aan de plaatselijke gebruiken. Zo tuimelden af en toe haar opgedroogde borsten uit hun schamele verpakking en moest ik haar een por geven om haar daarop te wijzen. Mijn moeder en zus keken dan blijkbaar net de andere kant uit en zagen niet de afkeurende blikken van de lokale bevolking. Bang dat we opgepakt zouden worden door haar over de datum zijnde vrouwelijkheid en alle vier in de gevangenis zouden belanden, moest ik haar na die por ook nog uitleggen wat er aan de hand was.

In een natuurpark probeerde ze de krokodillen te aaien nadat we waren gewaarschuwd voor hun agressieve gedrag. Haar tasje, dat veel gelijkenis vertoonde met de krokodillen heeft het avontuur niet overleefd.

Zij mankeerde op een haar na niets, alleen vroeg ze zich af waarom er geen bordje bij die beesten stond dat ze konden bijten. Oh ja, ze was ook een beetje doof.

Zuchtend liep ik achter haar aan naar iets dat vroeger ooit een bootje was geweest.

“Oh een boottochtje lijkt me enig.”

Tante An, gehuld in haar gewaden, had geen last van de muggen. Mijn moeder en zus waren niet zo gevoelig voor muggenbeten, maar ik leek na de tocht wel een wrattenzwijn.

“Nee, dank u tante An.”

Zij wilde een van haar zelfgemaakte smeersels over mij heen verspreiden. Daar was ik eerder die vakantie al rood van uitgeslagen.

 

Hoe oud tante An was, wist niemand. Bij deze vraag zei ze vaag iets over de vorige eeuw. Wélke eeuw heeft ze nooit verklapt.

Tante An werd niet ziek, brak geen heup en werd niet vermoeid. Ze ging zonder enige aanleiding dood, zonder aankondiging of uitleg.

We vonden nog wel een briefje.

Haar gewaden schonk ze aan mijn zus.

Ik kreeg haar handschoentjes. Die heb ik altijd bewaard als bewijs dat tante An echt heeft bestaan en ik later niet zou denken dat ik de belevenissen gefantaseerd had.