In zichzelf

Sinds hij zich bewust was van zijn bestaan, had hij een vermoeden van haar bestaan. Dat kon ook niet anders want hij maakte haar van heel dichtbij mee. Zo dichtbij zelfs dat hij haar nog nooit had gezien. Diep van binnen had zij haar domicilie.

 

Bij de ingang kreeg iedereen een folder in zijn hand gedrukt. Mooie foto’s illustreerden het verhaal van de Frata’s die ooit in de grot leefden.

Julian las de folder door terwijl hij in de rij wachtte. Op de tekeningen stonden de Frata’s afgebeeld zoals ze er volgens de overlevering uit zagen. Het waren ranke, kale beestjes. Ze waren klein van gestalte, maar groots in hun gedachten. Het volkje leefde eeuwen geleden in de grot waar Julian voor stond.

“Dames en heren blijft u alstublieft bij de groep. Het is verboden om de wandschilderingen aan te raken. Ik wens u veel plezier tijdens onze tocht.” De gids dreunde zijn verhaaltje op en verdween met grote passen de grot in. Voor hem was het werk, maar zijn volgers waren met vakantie en hadden alle tijd.

Het gezelschap bestond uit kletsende dames, gillende kinderen, zoenende geliefden en een enkeling die geïnteresseerd was in het verhaal van de Frata’s waaronder Julian.

De gids had geen oog voor zijn publiek en beende verder de grot in.

Julian liep achteraan.

De gids was onverstaanbaar en deed geen enkele moeite zijn verhaal op een leuke manier over te brengen dus waarom zou Julian moeite doen het verhaal te volgen. In de folder die hij vast had, stond hetzelfde verhaal. Hij las geboeid de folder en bleef af en toe staan om de tekst beter te kunnen lezen. De foto’s die er in stonden, waren van schilderingen op de rotswanden.

Alleen de gids had een lampje bij zich en scheen hier en daar vluchtig op de tekeningen. Voordat Julian de tekening kon bekijken, liep de gids alweer verder. Julian stond even stil om te kijken of er lampje in zijn mobiele telefoon zat, zodat hij zelf de tekeningen kon beschijnen. Met in zijn ene hand zijn telefoon en in de andere hand de folder stond Julian enorm te klungelen. In de verte hoorde hij het lawaai van de groep verdwijnen. Hij wist dat het verboden was maar vond het erg prettig verlost te zijn van al het rumoer.

Met één hand probeerde hij licht uit zijn telefoon te krijgen. In plaats van zijn telefoon hield hij de folder goed vast en glipte de telefoon uit zijn handen. Met een doffe klap viel die op de grond en verdwenen in het donker. Nu moest Julian toch op schieten om de groep nog in te halen. Hij deed nog een poging naar de groep te roepen maar die was inmiddels te ver weg. De grond was vochtig en zijn broek werd nat toen hij op zijn knieën over de grond tastte naar zijn telefoon. Een meter of drie bij hem vandaan ging het lichtje aan waar hij naar op zoek was.

Net toen Julian erheen wilde lopen om de telefoon op te pakken, bewoog het lichtje naar hem toe. Julian bleef staan en luisterde naar een vreemd geluid. “Priet, priet.”

Tegelijk met het naderen van het lichtje werd het geluid harder. Het lichtje was hem nu zo ver genaderd dat hij de omgeving van het licht kon zien. Julian slaakte een gil want tot zijn stomme verbazing stonden er rond zijn telefoon drie wezentjes.

“Priet, priet.” Ze keken hem met schrandere oogjes aan.

“Mijn hemel,” riep Julian verschrikt. Hij stond te beven op zijn benen, maar tegelijkertijd was hij ook enorm nieuwsgierig. Hij bukte en in het schijnsel van het lichtje kon hij hen goed zien. “Frata’s? Zijn stem haperde van opwinding. “Priet, priet, prat, praat, praten, proberen.”

Het beestje keek met een schuin koppie naar Julian. “Is dit de taal die jij spreekt?”

Julian knikte. Hij was te verbaasd om iets terug te zeggen.

“Jij bent Julian. Ik ben Kroet. Wij zijn hier om jou te halen.” Het beestje sprong op Julian’s arm en haakte een van zijn kleverige klauwtjes in de haren op Julian’s arm. “Dat zijn Pruk en Lava.” Hij wees met zijn andere klauwtje naar de twee Frata’s die nog bij de telefoon stonden. “Kom we nemen je mee naar onze wereld?”

Julian die in eerste instantie dacht dat er een grap met hem werd uitgehaald, geloofde zijn ogen en oren niet.

Pruk pakte de telefoon en rende ermee weg.

“Hee, hier blijven!”

Ze lokten Julian mee. De drie Frata’s stopten pas toen ze bij een immens grote wandschildering stonden.

Julian rende hijgend achter hen aan, maar toen hij bij de wandschildering aankwam, waren Kroet, Pruk en Lava nergens te zien. Hij hoorde wel hun stemmetjes. Ze kwamen uit de muur. Julian bekeek de wandschildering en zag tot zijn verbijstering dat een van de figuren op de tekening een mobiele telefoon aan zijn oor hield.

“Kom nou verder,” hoorde hij en zag dat het figuurtje met de telefoon naar hem wenkte. Het was Pruk. Julian voelde met zijn hand aan de muur. De harde stenen wilden niet voor hem wijken. Pas toen hij de tekening goed bestudeerde, de individuele figuurtjes bekeek en zag wat ze aan het doen waren, leek hij opgezogen te worden door de muur. De stenen werden week en zijn hand verdween in blubberig zand.

“Daar ben je eindelijk,” riep Kroet.

Julian keek om zich heen. Hij stond in de wandschildering. Overal huppelden Frata’s totdat ze Julian zagen. Stokstijf bleven ze staan. Eén van de Frata’s maakte een buiging en de rest volgde hem. Ze zakten door hun pootjes en prevelden prietpraat. “Eindelijk is onze moeder weer in ons midden.” De stem kwam van een Frata met een lange baard. Hij was al oud en zijn kale huid was gerimpeld. “Welkom jongen. We eren jou omdat je onze moeder terug brengt. Eeuwen heb je haar voor ons bewaard totdat het gevaar geweken was en ze veilig terug kon keren.”

Julian begreep niets van dit alles en was doodsbang. Zijn hart klopte zo hard, alsof het uit zijn lijf wilde springen. Het zweet brak hem uit.

De oude Frata kwam voor hem staan. “Julian je weet niet wie je eigenlijk bent. Diep in jou woont onze, maar ook jouw moeder. In vroeger tijden waren wij in oorlog met de Korijsters. Zij wilden onze moeder gevangen nemen en doden. Zonder haar bestonden wij slechts op de wandschilderingen en waren wij alleen een mooi verhaal voor de bezoekers van deze grot. Eeuwen hebben we veldslagen geleverd met de Korijsters om ons en onze moeder te redden. Terwijl er veel Frata’s sneuvelden tijdens die oorlogen heeft onze moeder jouw gebaard en omkeerbaar gemaakt.”

Julian onderbrak de oude Frata. “Omkeerbaar gemaakt?”

De oude Frata vervolgde zijn verhaal. “Ze was alleen veilig als ze zichzelf kon verschuilen in een pasgeborene. Zij vormde de binnenkant van de baby en was onzichtbaar voor de buitenwereld. Als de Korijsters haar niet meer konden vinden, werd ze doodverklaard en hield de oorlog op. Echter, ze kon pas terugkeren als jij dezelfde eeuwenlange ontwikkeling mee had gemaakt als zij. Je bent te vondeling gelegd en door vele generaties opgevoed en gevormd tot wie je nu bent. Je bent nu helemaal dezelfde persoon als onze moeder. Je bent één met haar en de tijd is rijp om haar te worden.

Julian voelde de grond onder zijn voeten beven. Het zweet gutste langs zijn lichaam. Hij wilde wegrennen, maar zijn benen weigerden dienst. Hij voelde zijn massa samenvloeien in zijn hart. Zijn lichaam schokte zo hevig dat zijn hart uit zijn lichaam schoot. Het klopte heftig en Julian had moeite zijn hart niet te laten vallen. Met zijn handen omklemde hij het behoedzaam. Zijn verleden en zijn toekomst had hij vast. Het hart werd groter en groter totdat het te zwaar werd voor Julian. Het was nu net zo groot als hijzelf en hij werd als het ware naar binnen gezogen door een grote scheur die was ontstaan. Hij ging op in het binnenste van zichzelf. Het hart keerde van binnen naar buiten zodat de binnenkant van het hart de buitenkant werd. Het hart zat weer in een lichaam. Het lichaam van Julia.

De Frata’s hadden al die tijd ademloos toegekeken. Bij het verschijnen van Julia bogen ze diep en murmelden onverstaanbare zinnen.

Julia had een folder in haar handen waarin de geschiedenis van de Frata’s was te lezen. Langzaam kwam haar besef terug. Zij was de moeder der Frata’s. Zij was hun bestaan. De herinneringen aan de Frata’s deden de herinneringen aan de mensen vervagen.

“Lieve Frata’s ik ben blij dat ik terug ben. Wij hebben het overleefd. Samen zullen we de toekomst tegemoet gaan.”

 

De groep liep richting uitgang. De laatste wandschildering was het mooiste en werd tot het laatst bewaard. De gids verlichte de schildering met zijn lamp. Hij had al honderden keren de schildering gezien. Vreemd, het was hem nog nooit opgevallen dat de moeder der Frata’s afgebeeld was op de tekening.